|
Een oude nederzetting
Dat Riemst op een zeer vroege kolonisatie terugblikt, blijkt uit archeologische vondsten van diverse culturen, nl. relicten van een bandceramische nederzetting omstreeks 3000 voor Christus, artefacten uit de Gallo-Romeinse tijd en sporen uit de Merovingische periode. Laatstgenoemden werden aangetroffen in de fundamenten van de oude kerk. In de buurt van de Gallo-Romeinse heerbaan Tongeren-Maastricht ontdekte men in 1935 niet minder dan 55 toebehoren van een herengraf. Wellicht betrof het de site van een tumulus waarvan de aarden wal achteraf genivelleerd werd. Archeologisch onderzoek van de gebruiksvoorwerpen – o.m. kommetjes in wit aardewerk, flessen in gekleurd glas, kannen in lichtbruine klei en vaatwerk in terra sigillata; al deze stukken bevinden zich momenteel in het Gallo-Romeins Museum te Tongeren – dateerde deze begraafplaat in de tweede eeuw na Christus. Ook werden er op het grondgebied van de gemeente een 200-tal muntstukken van omstreeks 260-270 na Christus gevonden.
Een heerlijkheid in het Land van Loon
|

|
In een oorkonde van 965 wordt de plaatsnaam “Rumanzeis” voor het eerst vermeld. Later werd dit “Reimost”, “Rimest” en uiteindelijk vanaf 1524 Riemst. In de 13-14de eeuw was Riemst een heerlijkheid in het land van Loon. In 1366, na de Loonse successieoorlog, kwamen de grondheerlijke rechten in handen van de prins-bisschop van Luik. In 1766 schonk de prins-bisschop deze bevoegdheid aan graaf J. de Méan en later aan baron de Sluse, tevens kanunnik van het Sint-Lambertuskapittel te Luik. In 1529 en 1600 eisten pestepidemieën heel wat slachtoffers. Bovendien werd de bevolking herhaaldelijk geruïneerd door opeisingen, plunderingen en inkwartieringen van legers die via het neutrale prinsbisdom Luik naar Maastricht oprukten; dit was o.m. het geval in 1579-85 (Farnese), 1632 (de verovering van Maastricht door Frederik-Hendrik van Nassau), 1673-1676 (inname van Maastricht door Lodewijk XIV) en in 1747 (de slag van Lafelt).
|
|
Maastricht was immers van de 16de tot de 19de eeuw één van de meeste betwiste vestingen in de Nederlanden. Bij de bestuurlijke reorganisatie door het Frans bewind was Riemst in 1795 kortstondig kantonhoofdplaats van 18 plattelandsgemeenten in het departement Nedermaas. Enkele maanden later werd deze functie aan het grotere en meer bevolkte Millen toevertrouwd.
Zowel op parochiaal als op juridisch vlak waren Riemst en Herderen lange tijd zeer nauw met elkaar verbonden. Hun gezamenlijke schepenbank, bevoegd voor lagere en middelbare jurisdictie, volgde de Loonse rechtspraak en wendde zich voor de hogere rechtspraak tot de buitenbank van Bilzen, die tevens als beroepshof fungeerde. De Sint-Martinusparochie, vermoedelijk gesticht ten tijde van de vroegmiddeleeuwse kerstening (6e-7e eeuw), is toegewijd aan één van de meest prominente figuren uit de kersteningstijd. Tot 1834 waren ook Herderen en Heukelom op parochiaal vlak van Riemst afhankelijk.
|

|
De patronaats- en tiendrechten werden, volgens een overeenkomst uit 1303, gedeeld door de abdijen van Munsterbilzen en Sinnich-Teuven.
Demografie
Al groeide Riemst in een tijdspanne van twee eeuwen uit van een bescheiden dorpje met amper 185 inwoners in 1806 – het was toen zelfs de minst bevolkte deelgemeente – tot een kerndorp van 1685 inwoners in 2002, toch bleef de lineaire scheiding tussen de dorpskom en het omliggende akkerlandschap vooralsnog intact.
Het kleine Riemst (386 ha) werd vooral dankzij zijn centrale ligging en zijn goede verkeerstechnische ontsluiting de administratieve draaischijf van een tiendelige fusiegemeente zonder een echt dominante kern of een centraal winkelcentrum. Door de forse aangroei van het inwonertal na de fusie wist Riemst zich wel op te werken tot de dichts bevolkte deelgemeente: op 01.01.2002 bedroeg de bevolkingsdichtheid 436 inwoners per vierkante kilometer.
Riemst groeit
In de evolutie van het nederzettingspatroon kan men drie fasen onderscheiden.
|

|
Lange tijd was Riemst een kerndorp aan twee elkaar kruisende assen, nl. de Pustraat – Klein-Lafeltstraat en de Gerestraat-Paenhuisstraat. Uiteraard staan alle historische gebouwen en oude boerderijen langs deze straten: Het Swaenhoff aan de Gerestraat, het Paenhuis aan de Paenhuisstraat en een monumentale, mergelzandstenen hoeve met 17de eeuwse kern aan de Putstraat 20. De Klein-Lafeltstraat is vooral interessant omdat je er zowel hoeven met een L-vormige, een U-vormige als een vierzijdige plattegrond aantreft. De neogotische Sint-Martinuskerk, de pastorie en het voormalig gemeentehuis staan vlak bij de kruising van hoger genoemde straten.
|
In de eerste helft van de 19de eeuw werden de Vlaamse steden – in de economische context van de industriële omwenteling was de verbetering van de interstedelijke verbindingswegen noodzakelijk – door nieuwe, rechtlijnige ”steenwegen” verbonden. De kruising van de wegen Tongeren-Maastricht (1804) en Visé-Bilzen (1833) situeerde zich precies te Riemst, zo’n halve kilometer ten noordwesten van de dorpskom. In de 19de en in de eerste helft van de 20ste eeuw had de woonuitbreiding vooral betrekking op lintbebouwing langs deze steenwegen.
|

|

|
Thans vind je er een bonte afwisseling van particuliere woningen en handelspanden, winkels, banken, horeca en diensten zoals het Toerismekantoor. Het verkeerstechnisch belang van zo’n kruispunt wordt extra aangetoond door de ruime parking voor lijnbussen. Even verderop, in de richting van Maastricht, staat het moderne gemeentehuis dat de administratieve diensten van de fusie centraliseert. Anno 2002 bestaan er plannen voor de heraanleg van het kruispunt als rotonde.
De derde groeifase dateert van na de jongste fusie (1977) toen de relatief vochtige weilanden tussen de Putstraat, de Toekomststraat, de Tramstraat en de Paenhuisstraat voor private woningbouw verkaveld werden en als dusdanig plaats ruimden voor de woonwijk Krinkelsgracht. Tot de recente, urbanistische projecten behoort ook het industrieterrein.”Op’t Reeck” ten noorden van de N79. Anno 2002 huisvest dit terrein een twintigtal bedrijven.
|